Wie het over 'goud als belegging' heeft, merkt al snel dat goud als belegging een sterk emotioneel beladen onderwerp is.
Wie het over 'goud als belegging' heeft, merkt al snel dat goud als belegging een sterk emotioneel beladen onderwerp is. Het lijkt alsof de kampen verdeeld kunnen worden in 'goudfanaten' en 'goudhaters'. Veel van de argumenten die daarbij worden aangevoerd, zijn echter gebaseerd op misverstanden en hardnekkige mythes. Deze worden hieronder nader toegelicht.
Beleggen in goud is geen investering in zogenoemd productief kapitaal. In tegenstelling tot aandelen keert goud geen dividend of rente uit. Daar staat echter tegenover dat een aandeelhouder als mede-eigenaar het ondernemersrisico draagt en in het slechtste geval zijn volledige kapitaal kan verliezen. Een dergelijk risico bestaat niet bij beleggingen in goud.
Beleggingen in vastrentende waarden, zoals obligaties, staan bekend als relatief veilig en leveren doorgaans rendement op. Toch brengen ook deze beleggingen risico’s met zich mee. Zo is er sprake van renterisico: veranderingen in de rente kunnen de waarde van een obligatie gedurende de looptijd aanzienlijk doen schommelen. Hoe langer de resterende looptijd, hoe groter het risico op verlies. Dit risico doet zich met name voor wanneer de obligatie voortijdig moet worden verkocht. Wordt een obligatie tot de vervaldatum aangehouden in een periode van onverwacht hoge inflatie, dan ontvangt de belegger weliswaar de nominale waarde, maar is de koopkracht daarvan vaak aanzienlijk gedaald. Daarnaast wordt het risico op wanbetaling door insolventie van de debiteur bij obligaties geregeld onderschat.

Het bezit van fysiek goud in de vorm van munten of baren betekent volledig eigendom. Het betreft geen vordering op een derde partij, zoals bij aandelen of obligaties. Fysiek goud kent daarom geen tegenpartijrisico. Evenmin is er sprake van ondernemingsrisico en kan goud nooit waardeloos worden. Dit verklaart ook waarom fysiek goud geen lopende inkomsten genereert, zoals dividend of rente.
Het feit dat goud geen rente oplevert, kan juist worden gezien als een teken van kwaliteit. Naar analogie met obligaties kan worden gesteld dat vooral emittenten met een lagere kredietwaardigheid een hogere rente moeten bieden. Goud, dat geen rente oplevert, kan daarom worden beschouwd als een 'emittent' met de hoogste kredietwaardigheid en betrouwbaarheid. De stabiele waarde van goud hangt bovendien samen met het feit dat de totale hoeveelheid niet op korte termijn inflatoir kan worden uitgebreid. Momenteel groeit de goudvoorraad met ongeveer 1,7% per jaar.
Daarom behoudt goud zijn koopkracht over vele eeuwen. De prijs van een ounce goud (31,1 gram) komt tegenwoordig ongeveer overeen met die van een hoogwaardig maatpak. In het oude Rome kon men voor een ounce goud een toga kopen, het equivalent van een modern maatpak van hoge kwaliteit. Dit illustreert op treffende wijze de uitzonderlijke waardevastheid van goud op lange termijn.
