De Oostenrijks-Hongaarse monarchie viel na de Eerste Wereldoorlog uiteen en haar munteenheid, de kroon, verloor sterk aan waarde. Op basis van de Protocollen van Genève verstrekten de staten van de Volkenbond Oostenrijk een lening van 650 miljoen gouden kronen. In ruil daarvoor verbond het land zich ertoe de bankbiljettenpers stil te leggen. De Oostenrijkse Nationale Bank in haar huidige vorm werd in 1922 opgericht als eerste stap naar economisch herstel. Tot haar belangrijkste taken behoorden onder meer het reguleren van het betalingsverkeer en het waarborgen van monetaire stabiliteit.
In december 1923 gaf de Nationale Raad de regering toestemming om zilveren munten met een nominale waarde van 5.000, 10.000 en 20.000 kronen te slaan. Deze stonden bekend als halfschilling, schilling en dubbelschilling. De schilling werd in 1924 als nieuwe munteenheid vastgesteld en het jaar erna ingevoerd. Het eerste bankbiljet had een waarde van 100 schilling.
Oostenrijk voerde een strikt hardevalutabeleid. De schilling ontwikkelde zich tot een van de meest stabiele munteenheden in Europa en kreeg de bijnaam 'Alpendollar'.
De staatssoevereiniteit van Oostenrijk kwam tot een einde met de inval van Duitse troepen in maart 1938. De Duitse Reichsmark werd ingevoerd en de Oostenrijkse Nationale Bank verloor haar recht om bankbiljetten uit te geven. De schilling werd op 30 november 1945 opnieuw ingevoerd. In de daaropvolgende jaren werd de munteenheid geleidelijk gereorganiseerd en gestabiliseerd. In 1953 werd de wisselkoers vastgesteld op 26 schilling per Amerikaanse dollar en trad Oostenrijk toe tot het Internationaal Monetair Fonds. Vanaf 1976 werd de schilling gekoppeld aan de Duitse mark. De stabiele waarde van de munt droeg bij aan de internationale economische integratie van Oostenrijk in de jaren negentig. Eind februari 2002 werd de schilling vervangen door de euro.

De laatste serie schillingmunten die ten tijde van de invoering van de euro wettig betaalmiddel waren in Oostenrijk, kan zonder tijdsbeperking bij de Oostenrijkse Nationale Bank worden omgewisseld voor euro’s. De omwisseling is kosteloos en gebeurt tegen nominale waarde, volgens de onherroepelijk vastgestelde koers van 1 euro = 13,7603 schilling.
Naast de afgebeelde circulatiemunten kunnen ook alle zilveren munten met een nominale waarde in schilling die tussen 1955 en 2001 zijn uitgegeven, worden omgewisseld tegen hun nominale waarde (25, 50, 100 of 500 schilling). Sommige van deze zilveren munten kunnen echter, vanwege hun zilvergehalte, een hogere waarde hebben in de muntenhandel.
Zilveren munten van 5 en 10 schilling, die respectievelijk in 1969 en 1975 hun status als wettig betaalmiddel verloren, kunnen niet langer worden omgewisseld. De omwisseltermijnen voor deze munten zijn verstreken. Deze twee munten verschillen op enkele punten van de 5- en 10-schillingmunten van koper-nikkel, die wel zonder tijdsbeperking kunnen worden omgewisseld. Zie ook de complete catalogus van schillingmunten van 1947 tot 2001.